Van Mijnwerker tot Bergmannetje - Geschiedenis van de mijnbouw en houtsnijkunst in het Ertsgebergte

 

De Mijnbouw
Aan het eind van de 13e eeuw werd in het bosrijke en nauwelijks bewoonde middelgebergte tussen Bohemen en Saksen tin gevonden. In het begin werd het metaal uit de beken gezeefd (in de taal van de mijnwerkers “ausseifen” genoemd), waar uiteindelijk het stadje Seiffen zijn naam door verkreeg.

In de tweede helft van de 15e eeuw begon de “echte” mijnbouw in tunnels om de tin-voorraden efficiënter te kunnen winnen. De Bergman (mijnwerker) met zijn typische kleding, lamp en gereedschap kwam in beeld. Het leven van deze harde werkers was echter verre van romantisch: het werk was fysiek zwaar en leverde niet voldoende inkomen op zodat veel mijnwerkers naast hun normale werkzaamheden ook een kleine boerderij verzorgden.

Opkomst van de houtbewerking in het Ertsgebergte
De in de loop van de decennia teruglopende opbrengst uit de mijnen en de goedkoper wordende importen uit Amerika dwongen de mijnwerkers om hun vlijt en bekwaamheden op andere ambachten toe te passen. De grote voorraad aan hout leverde een oplossing: naast het werk in de mijnen werd als alternatief in moeilijke perioden huishoudelijk gereedschap zoals knopen e.d. gemaakt. Sinds de 18e eeuw stond de techniek van het draaien als efficiënte productiemethode centraal. De verhoudingsgewijs prettige arbeidsomstandigheden en de goede omzet leidden ertoe dat veel mijnwerkers niet meer terugkeerden naar hun “oude beroep” en dat de productiemechanismen en de handel met de houten waar snel professionele vormen aannamen.

De Houtbewerker is geboren
De opkomst van het bewerken van hout, de houtsnijkunst of volkskunst, en de neergang van de mijnbouw in het Ertsgebergte in de eerste helft van de 19e eeuw betekende dat de omvorming van de mijnwerker naar de houtbewerker was voltrokken.

Opkomst van het houten speelgoed
Sinds de tweede helft van de 18e eeuw veranderde het maatschappelijke inzicht in kinderen waardoor spelen door kinderen als positief en noodzakelijk werd ervaren. Speelgoed kreeg daardoor een veel hogere waarde toegekend en de productie ervan onderging een bloei.

Deze ontwikkeling, die in heel West-Europa plaatsvond, had tevens invloed op het werk van de bewoners van de kleine dorpjes in het Ertsgebergte. De houtbewerkers merkten snel dat kleine poppetjes, huisjes, paleizen, kerken, bomen, blokjes enz. de omzet aanzienlijk verhoogden en ze konden hun producten door goede kwaliteit en gunstige prijzen op grote schaal verkopen.

Van speelgoed naar kerstversiering
In deze jaren, zo rond 1800, maakten de ambachtsmannen uit het Ertsgebergte ook hun eigen houten kerstversiering. Het licht dat voor de werkers tijdens hun dagelijks werk in de donkere mijnen een bijzondere waarde had, werd het centrale thema van het kerstfeest. Het stond gelijk aan vroomheid en wedergeboorte na gedane arbeid.

Dit gebruik kreeg meer betekenis na 1830, toen de dure (bijen)was kaarsen konden worden vervangen door goedkopere stearinekaarsen. Het kerstfeest werd steeds meer een groot familiefeest, een door het hele Duitse volk gekoesterd lichtfeest. Dit zorgde ervoor dat de speelgoedproducenten de fabricatie van kerstversiering als interessante bijverdienste ontdekten. Zij verkochten hun gedraaide lichten dragende bergmannen, kerstengelen en kerstpiramiden voornamelijk op de lokale markten en binnen korte tijd hoorden deze figuren tot de traditionele kerstversiering in het Ertsgebergte en Vogtland.

Houtsnijkunst in de rest van de Wereld
De reizende koopmannen, die tot nu toe vooral het speelgoed verhandelden, namen de kerstfiguren mee naar de grote markten en beurzen. Op deze manier vonden de kleine kunstwerken hun weg in de woonkamers van het hele land en van daar uit over de grenzen van Europa heen. In de loop van de tijd zijn het assortiment en de variëteit steeds meer gegroeid. Heden ten daags zijn het vooral de lichtbogen, de notenkrakers, het rookmannetje en de kerstpiramiden die kenmerkend zijn voor de traditionele kerstversiering uit het Ertsgebergte en internationaal verkocht worden. Bij de meerderheid van deze figuren is echter één motief steeds weer terug te zien: het Bergmannetje.